U bent hier:Home Actueel ‘Aanpak jeugdige veelplegers kan effectiever’
Nieuwsbericht | 17-02-2010
Sneller ingrijpen bij spijbelgedrag, vaker en eerder gebruik maken van de ondertoezichtstelling (OTS), een flexibeler inzet van nachtdetentie en concentratie van energie op de meer serieuze gevallen. Deze en andere aanbevelingen moeten leiden tot een effectievere aanpak van jeugdige veelplegers.
De aanbevelingen zijn te lezen in het. rapport Jeugdige veelplegers, opgesteld door een onderzoeksgroep onder leiding van Ido Weijers, bijzonder hoogleraar Jeugdrechtspleging aan het Willem Pompe Instituut. Op 16 februari werd het rapport ten doop gehouden tijdens het congres Aanpak jeugdige veelplegers in de Utrechtse Jaarbeurs.
Op initiatief van het Openbaar Ministerie onderzocht Weijers een groep van 81 minderjarige Utrechtse veelplegers. Wie zijn dit nu eigenlijk? En welke aanpak lijkt het meest effectief voor deze groep? Is er wel sprake van één aanpak, of moet je binnen deze groep nog differentiëren?
Eén ding was bij voorbaat al duidelijk: het gaat niet om lieverdjes. Alles bij elkaar waren de 81 onderzochte veelplegers ‘goed’ voor 1021 geregistreerde strafbare feiten – gemiddeld 12,5 per persoon, met uitschieters naar boven tot wel 40 delicten. Bijna de helft van de Utrechtse veelplegers (49 procent) is van Marokkaanse afkomst; 27 procent is autochtoon Nederlands; de overige 24 procent heeft een andere etnische achtergrond (o.a. Surinaams, Turks en Antilliaans) De leeftijd waarop deze veelplegers hun eerste delict pleegden is gemiddeld 13 jaar. Opvallend in deze groep is verder het grote aantal jongeren met een verstandelijke beperking. Weijers signaleert dat vooral voor jongeren met een laag IQ de overgang van de basisschool naar de middelbare school problematisch is. ‘Ze vinden het te zwaar, ze kunnen gewoon niet meekomen. Dit leidt vaak tot conflicten en spijbelgedrag. We kwamen gevallen tegen waarbij pas na anderhalf jaar werd ingegrepen. Onbegrijpelijk dat zoiets zo lang kan voortsudderen. Dit terwijl bekend is dat de relatie tussen structureel spijbelen en crimineel gedrag groot is.’
Een nadere analyse van de groep Utrechtse veelplegers brengt Weijers tot een indeling in vier profielen:
* jongeren bij wie puur sprake is van ‘kindproblemen’, zoals een laag IQ, gedragsproblemen, een gebrekkig verantwoordelijkheidsbesef en een verstoorde schoolgang
* jongeren die afkomstig zijn uit een traumatiserende gezinssituatie (mishandeling, misbruik, psychiatrische, drank- en/of drugsproblemen bij de ouders, een problematische scheiding, schulden, etc.)
* jongeren die zowel kampen met kindproblemen als met een problematische gezinssituatie
* jongeren afkomstig uit een ‘criminele familie’, waarvan meerdere familieleden bekend zijn bij politie en justitie en waar crimineel gedrag als ‘normaal’ wordt beschouwd.
Bij elk van deze profielen zou volgens Weijers in de aanpak het accent op ander(ssoortig)e interventies moeten liggen. Zo zou bij de eerste groep stevig moeten worden ingezet op intensieve behandeling door de jeugdpsychiatrie, in combinatie met toeleiding (terug) naar school, dan wel naar werk. Bij de tweede groep zou een intensieve behandeling van het gezin voorop moeten staan. Bijvoorbeeld via (erkende) interventies als de Multi Systeem Therapie (MST) of (in zwaardere gevallen) de Multidimensional Treatment Foster Care (MTFC). Bij jongeren uit de derde categorie zou de interventie zowel op de jongere zelf, als op het gezin gericht moeten zijn - indien nodig en gewenst aangevuld met een verbod op omgang met ‘verkeerde vrienden’. Voor jongeren afkomstig uit een criminele familie (circa 20 procent van de onderzochte veelplegers) zijn duidelijk voelbare sancties op hun plaats: een stevige geldboete, werkstraf of detentie, zo mogelijk in combinatie met ontneming van het crimineel verkregen geld. Daarnaast is ook voor deze jongeren toeleiding naar scholing en/of werk van belang.
Om het risico te verkleinen dat jongeren überhaupt uitgroeien tot ‘veelplegers’, pleitte Wijers voor alert en effectief ingrijpen bij spijbelen. ‘Hoewel het vanuit het oogpunt van de school soms begrijpelijk is, gelet op de problemen en overlast die dit soort jongeren veroorzaken, moeten we niet toestaan dat ze zich zo makkelijk aan school kunnen onttrekken, of zelfs van school worden gestuurd. Het aanbieden van aangepast, specifiek onderwijs aan deze groep lastige leerlingen moet grote prioriteit krijgen.’ De hoogleraar uitte voorts zijn verbazing over het feit dat bij de veelplegers afkomstig uit een traumatiserende gezinssituatie (profiel 2) relatief weinig ondertoezichtstellingen waren opgelegd. ‘Nog niet in de helft van die gezinnen, terwijl er toch vanalles aan de hand was! Ik zou zeggen: doe bij elk kind dat voor de derde of vierde keer in contact komt met politie een intensief raadsonderzoek. Wat speelt er allemaal in dat gezin? Blijkt het echt niet pluis, leg dan een OTS op.’ Een positief effect verwacht Weijers ook van het breder toepassen van nachtdetentie. ‘Een fantastisch concept’, volgens de hoogleraar, dat de gestrafte jongere in staat stelt om naar school te blijven gaan, een therapie te volgen, lid te blijven van de voetbalclub, etc. terwijl ze toch – ‘juist op de meest kritische momenten: ’s avonds, ’s nachts en in de weekends’ – onder goede controle staan. ‘Helaas blijft nachtdetentie nu vaak nog beperkt tot de voorlopige hechtenis. Het zou goed zijn te kijken of het ook breder kan worden ingezet, als onderdeel van een straf of maatregel.’
Weijers’ laatste aanbeveling betreft de een pleidooi voor concentratie van de (schaarse) middelen op de meest problematische doelgroepen. ‘We stoppen nu relatief veel energie in jongeren van wie we weten dat je ze na één of twee keer niet meer terugziet bij politie en justitie. Die houden vanzelf op met crimineel gedrag. We moeten niet elke first offender voor een relatief onschuldig vergrijp naar HALT sturen. Een stevige berisping op het politiebureau, eventueel in combinatie met een kleine boete, volstaat. Pas als zich een patroon begint af te tekenen - een derde of vierde delict is geen “toeval” meer - moet je stevig ingrijpen. Laten we alle energie concentreren op die meer serieuze gevallen en zo voorkomen dat ze uitgroeien tot veelplegers. Daar is nog veel winst te boeken.’